Het nageslacht van Jan van Schaffelaar door J.W. van Maren
Generatie I
1. Jan van Schaffelaar, geboren circa 1430, overleden 14 juli 1482 te Barneveld, begraven in de kerk van Barneveld (zie lit. 3)
Gehuwd met Aleid, overleden circa 1486.
Uit dit huwelijk:
1. Wendelmoet, zie 2.
Generatie II
2. Wendelmoet van Schaffelaar, overleden 20 december 1529, begraven in de St.Geertruidskerk te Utrecht. Gehuwd met Mens (Meijns, Clemens) van der Burch (Borch), overleden 5 september 1496, begraven in de St. Geertruidskerk te Utrecht.
Uit dit huwelijk:
1. Elisabeth, zie 3a.
2. Gerarda, zie 3b.
Generatie III
3a. Elisabeth van der Burch, geboren circa 1495, overleden 1 mei 1564. Gehuwd op
dinsdag na St. Agatha 1520 (7 februari) met Dirk Morren van Dashorst, overleden
10 maart 1537, eerder gehuwd geweest met Elisabeth Gijsbert Ponciaensdochter.
Uit dit huwelijk:
Cornelia van Dashorst, overleden 2 mei 1595. Gehuwd met Jan Cornelis van
Blocklandt. Dit echtpaar heeft geen kinderen nagelaten.
3b. Gerarda van der Burch, overleden 15 juli 1534, begraven in de St. Geertruidskerk te Utrecht. Gehuwd met Jan Jacobs Coevoet (van Rotterdam), overleden Sint-Martijnsdag (11 november) 1524 en begraven in de St. Catharijnekerk te Utrecht,
eerder gehuwd geweest met Mechtelt van Leuwe (uit dit huwelijk 7 kinderen).
Uit dit huwelijk:
1. Anna, zie 4a.
2. Cornelia, zie 4b.
3. Gijsbert, commandeur te Ingen.
4. Clemens, pastoor te Everdingen.
5. Aleyd, zie 4c.
6. Geertruijd, zie 4 d.
Generatie IV
4a. Anna, gehuwd met Jan Willems Bos. Uit dit huwelijk zes kinderen en veel kleinkinderen.
4b. Cornelia Coevoet, geboren 10 november 1515 te Rotterdam, overleden 17 november 1577 te Utrecht. Gehuwd 1e met Coenraedt Jzn Boot. Uit dit huwelijk vier dochters en twee zonen.
Gehuwd 2e op 9 april 1553 met Johann Strick, geboren 10 augustus 1526, overle-den 17 februari 1584. (Hij huwt 2e met Sandrina Lamberts van Crayestein. Uit dit huwelijk twee zonen.)
4c. Aleyd, gebuwd met Hendrik Everts van Zuylen.
4d. Geertruyd, gehuwd met Ellert Jans Zot van Loenen.
Uit dit huwelijk twee dochters.
Literatuur:
1. C.A. van Kalveen, Jan van Schaffelaar, een Middeleeuwse held uit Leusden, Flehite 19, blz. 18-19, 1988.
2. A.H.J. Prins, Requiem voor een Gelders Ruiter, Barneveld 1982
3. A.H.J. Prins, Het laat-middeleeuwse grafregister van Barneveld, Barneveld 1987.
4. A.G. Vosding Bessem, Strick, De Nederlandsche Leeuw (XCIV), kol. 124-144, 1977.
5. W.A. Wijburg jr., Antonie Mor van Dashorst, vermaard schilder van Utrecht en zijn naaste familie, De Nederlandsche Leeuw (LXXVI), kol. 230-248, 1959.
Heemraad van het waterschap De Haar door P.R. Smink
Reinier van Valkenhoef is heemraad (= bestuurslid) geweest van het waterschap De Haar van 1juni 1899 tot 1januari 1929, toen deze werd opgeheven en opgenomen in het waterschap Beoosten de Eem.
Om tot heemraad gekozen te kunnen worden en om te kunnen stemmen, was het vereist tenminste één hectare grond binnen het waterschap in eigendom te hebben.
Reinier van Valkenhoef was sedert 27 maart 1895 eigenaar van de percelen weiland Hoogland H 256 (0.90.20 ha), H 257 (0.87.40 ha) en H 269 (1.42.40 ha), gelegen aan de noordzijde van de Looidijk (thans Oude Lodijk) in de polder De Haar, waarmee hij in de Vergadering van ingelanden van het waterschap De Haar drie stemmen kon uitbrengen. Hij had deze percelen ten overstaan van notaris C.A.van Blaricum te Amersfoort gekocht van zijn inwonende tante Hendrika van Eijden, die voorheen op de boerderij De Hilhorst aan de Koedijk te Amersfoort had gewoond. Zij had deze percelen als enige en algehele erfgename verkregen van haar ongehuwde op 26 augustus 1894 in Hoogland overleden broer Gijs of Gijsbert van Eijden. Reinier heeft toen ook perceel Hoogland A 415 (0.29.50 ha), een uiterdijkje in de ten zuiden van de Looidijk gelegen polder (Neer) zeldert en in gebruik als weiland, van de ongehuwde Hendrika van Eijden gekocht. De koopsom voor deze vier percelen van in totaal 3.49.50 ha was 2.600,-.
Gijs van Eijden op zijn beurt had deze percelen op 19 oktober 1888 op een veiling ten overstaan van notaris mr. J.M. Richelle te Amersfoort gekocht van Adrianus Kamerbeek. Op de kaart van de polders der Eemlandtsche Leege Landen uit 1666 is het perceel H 256 bekend als perceel 320 in de polder De Haar, H 257 als 321 en H 269 + A 415 als 330. De percelen H 256 en H 257 zijn van 1763 tot 1836 in bezit geweest van respectie-velijk Hendrik Albertse Brinkenstein en Reijertje Jans Krol (Klapmuts), de overgrootouders van Reinier van Valkenhoef.
Reinier van Valkenhoef is in de Vergadering van ingelanden van 2 mei 1899 gekozen tot heemraad als opvolger van de niet meer herkiesbare A. van Weerhorst. Tijdens de stemming werden zeven stembriefjes ingeleverd met in totaal 32 stemmen. Daarvan werden 26 stemmen uitgebracht op Reinier van Valkenhoef en zes op J. van den Hengel. Nog tijdens diezelfde vergadering heeft Reinier van Valkenhoef de eed afgelegd en werd hij geinstalleerd 'onder gelukwensen van alle aanwezigen'.
De Vergadering van ingelanden werd gehouden in het café van C. Schimmel op Den Ham in Hoogland. Dit café is het voormalige Rechthuis van Hoogland en Emiclaer en Raadhuis van Hoogland; momenteel is daar Eetcafé De Noot (Hamseweg 31) gevestigd. Bij de periodieke herverkiezing van G. ter Plaat en R.R. van Valkenhoef in de Vergadering van Stemgerechtigde ingelanden op 19 mei 1914 hebben Bunschoter ingelanden een voorkeursactie gevoerd om te bereiken dat in het bestuur van het waterschap De Haar ook heemraden uit Bunschoten zitting zouden krijgen. Bij de stemming werden 2x77 stemmen uitgebracht, waarvan 55 stemmen op A. Heuveling, 54 stemmen op G. ter Beek, 22 stemmen op G. ter Plaat, 19 stemmen op R.R. van Valkenhoef, 1 stem op K. van Amerongen en drie stemmen op T. Voskuilen. Waarschijnlijk heeft Reinier van Valkenhoef met zijn drie stemmen niet op zichzelf gestemd, maar op T. Voskuilen.
Tegen deze uitslag heeft Reinier van Valkenhoef - hij noemt zichzelf dan oud-lid van het bestuur - op 30 mei 1914 bezwaar gemaakt op grond van het feit, dat bij de verkiezing van twee heemraden voor iedere vacature niet afzonderlijk is gestemd, zoals artikel 59 van het Algemeen reglement voor de waterschappen in de provincie Utrecht voorschrijft, maar over beide tegelijk op een stembriefje.
Het bestuur van het waterschap De Haar besluit in zijn vergadering van 15 juni 1914 de nieuw gekozen heemraden G. ter Beek en A. Heuveling, beiden uit Bunschoten, niet toe te laten als bestuursleden op grond van het bezwaar van R.R. van Valkenhoef. Voor G. ter Beek gold daarbij ook nog, dat hij geen grond in eigendom of in gebruik had in het waterschap De Haar. Tijdens de Vergadering van Stemgerechtigde ingelanden van 27 oktober 1914 worden G. ter Plaat en R.R. van Valkenhoef met algemene stemmen herkozen tot heemraad.
Bij het periodieke aftreden vijf jaar later van P. Hilhorst - die op 1 juni 1915 tot heemraad was gekozen in plaats van de op 27 december 1914 overleden Gerrit ter Plaat - en R.R. van Valkenhoef kwamen de Bunschoter ingelanden weer in actie. De ingelanden uit Hoogland waren er toen op voorbereid. Tijdens de Vergadering van Stemgerechtigde in-gelanden op 20 mei 1919 in het café van G.J. Schimmel op Den Ham werden in de vacature Hilhorst 97 stemmen uitgebracht op P. Hilhorst, 53 stemmen op Wouterus Heuveling en tien blanco stemmen. In de vacature Van Valkenhoef werden 101 stemmen uitgebracht op R.R. van Valkenhoef, 29 stemmen op Wouterus Heuveling, zestien stemmen op E. Veldhuizen en veertien blanco stemmen.
Nadat de uitslag van de stemming was vastgesteld, waarbij P. Hilhorst en R.R. van Valkenhoef opnieuw tot heemraad waren gekozen, merkte K. Huijgen uit Bunschoten op, dat de ingelanden uit Bunschoten ook recht hebben op vertegenwoordiging in het bestuur van het waterschap.
Het Bestuur 'en ook de andere niet Bunschoter ingelanden' zijn er voorstander van om bij een volgende vacature een ingeland uit Bunschoten te kiezen tot heemraad.
Een jaar later werd Wouterus Heuveling per 1juni1920 tot heemraad gekozen in de vacature P. Hilhorst.
Aeltje van Loenresloot door Antonia Veldhuis
Bij het lezen van de oproep voor kopij over een bijzondere voorouder valt onmiddel-lijk mijn keus op Aeltje van Loenresloot afkomstig uit Amersfoort. Ze is de enige uit mijn kwartierstaat die uit deze contreien komt, dus was zij mijn enige kandidaat voor een beschrijving.
Diverse personen hielden zich in het verleden bezig met onderzoek van de familie Loenresloot of Loenersloot: Van Buchell (16-17e eeuw) , jhr. P.H.A. Martini Buijs, ir. C.B. Roest, Booth (rond 1600), Van Spaen (18e eeuw) en Snouckaert van Schauburg (19e eeuw). In Gens Nostra van februari 1982 (jrg.37 - blz.57) verscheen een uitgebreide genealogie vanaf 1459 geschreven door H.L. Kruimel, die ook genoemde schrijvers citeerde. Over Aeltje, ook Aleyda genaamd, staat er slechts 2½ regel in met wat genealogische gegevens en verder de vermelding van een akte voor notaris Van Ingen uit Amersfoort gedateerd 1 augustus 1639.
'Aleyda van Loenresloot, overleden Groningen 7-4-1726, trouwde aldaar 3-2-1605 met Balthasar Lyphart, landschrijver van het Landschap Drenthe, overleden Gronin-gen 7-4-1626'.
Haar leeftijd zou heel bijzonder (ouder dan 100 jaar) geweest zijn, ware het niet dat haar overlijdensdatum een drukfout bevat. Dit moet 1626 zijn. Verder is haar overlij-densdatum gelijk, ook heel bijzonder, aan die van haar echtgenoot, terwijl ze op 1 augustus 1639 genoemd wordt in een akte van notaris Van Ingen. Bovendien is ook de datum bij haar man niet correct.
Het bijzondere zit hem, voor mij, in het feit dat ze bijna vier eeuwen geleden, in een tijd dat het vervoer gebrekkig en tijdrovend was, verhuisde van Amersfoort naar Drenthe in het hoge noorden, een afstand van ruim 150 kilometer. Veel keuze in transport was er niet: (post)koets, paard en wagen, trekschuit of wandelen. Ervan uitgaande dat deze vervoersmogelijkheden een gemiddelde van vijf kilometer per uur hadden, zal ze over deze reis meer dan dertig uur hebben gedaan. Met een reisduur van maximaal tien uur per dag komt dit op ruim drie dagen.
Waarschijnlijk heeft het langer geduurd en was het reizen allesbehalve comfortabel.
En dan komt ze in een onbekende omgeving, met een andere taal, een ander soort landschap, ver van haar eigen familie en met allemaal (behalve haar nieuwe echtge-noot?) vreemde mensen.
Het echtpaar woonde vrijwel zeker in Anloo en kreeg vijf zonen. Echtgenoot Baltha-sar moest voor zijn werk regelmatig naar Den Haag, maar gezien zijn status zal het gezin inwonend personeel hebben gehad en was Aeltje niet alleen thuis. Tijdens hun huwelijk werd er regelmatig geld geleend door het echtpaar, terwijl de echtgenoot toch een redelijk riant inkomen had. Het huwelijk duurde 21 jaar en eindigde door het overlijden van Balhasar. Aeltje vroeg op 20 februari 1626 aan de Staten van Drenthe geldelijke steun voor haar twee studerende zoons en kreeg die ook. Verder nam ze een geldlening op, waarbij ze haar huis aan de Swanestraat in Groningen als onderpand gaf. Vier jaar later werden haar goederen aangeslagen en moest het huis worden verkocht ter aflossing van de schulden. Het bracht 5300 gulden op. Waarschijnlijk verhuisde ze rond die tijd naar de stad Groningen en is daar waarschijnlijk overleden. Wat zou ik graag eens met haar praten om te vragen hoe haar leven geweest is, waar-om ze zoveel leende, of ze niet van haar ouders erfde. Maar bovenal of ze gelukkig is geweest. Want ze blijft voor mij heel bijzonder.
Enige genealogische gegevens in de vorm van een gezinsstaat:
Aeltje (ook Aleyda) van Loenresloot, afkomstig uit Amersfoort, geboren rond 1585, waarschijnlijk overleden te Groningen in 1645 of 1646, dochter van Anthony van Loenresloot en van Jacomijne van Westreenen-Dier.
Op 20 februari 1626 vraagt en krijgt de weduwe van landschrijver Lijphard onder-steuning in de studiekosten van haar zoons (1). Op 14 april 1626 verkoopt ze het huis ter voldoening van schulden (2). In 1646 wordt genoemd: 'de weduwe van Lijphart, nu overleden zijnde' (3).
Zij trouwt te Groningen 12 januari 1605 met Balthasar Lijphart, dienaar van Van Ewsum, en vanaf 1606 landschrijver van Drenthe, geboren tussen 1576 en 1580, overleden te Groningen of Anloo in het jaar 1626, zoon van Johannes Bernardi Lijp-hart, notaris en secretaris van de Ommelanden (1578) en secretaris van Wigbolt van Ewsum.
Uit dit huwelijk:
1. Johannes Lijphart, solliciteur der compagnie van capiteyn Herman Ovink in Drenthe, geboren rond 1607, overleden tussen 3 november 1636 en 5 maart 1639.
Hij trouwt in Groningen op 20 juli 1633 met Jantien Weinichman, waarschijnlijk overleden te Paterswolde in 1654, waarschijnlijk een dochter van Hubertus Weinich-man. Zij was vóór 1633 getrouwd geweest met Herman Frix en is rond 1647 voor de derde keer getrouwd met Johannes Elama, solliciteur en secretaris, geboren rond 1625, zoon van Valerius Jansz Elama, rechter, en van Tijake Bijma.
2. Berent Lijphart, landschapslandmeter, geboren rond 1611, overleden in Drente tussen 20 september en 31 december 1670. Hij trouwt tussen oktober 1665 en 13 november 1667 met Jantien Hiddinge, overleden te Bork (= Schipborg) 19 mei 1683, dochter van Jan Hidding en van Anna Hoving.
De nalatenschap van Jantien Hiddinge werd failliet verklaard (4).
Zij was eerder getrouwd geweest met Arent Joost Ravensbergh, kwartiermeester in Groningen en geadmiteerd landmeter in Drenthe, begraven te Anloo 10 januari 1665.
3. Onno Lijphart, 'capitain in Brazilia', geboren rond 1614, overleden in Brazilië 1651.
Hij trouwt te Wesel (parochie Willibrordikirche) op 18 januari 1643 met Claesken Langstraat, overleden ná 20 februari 1655.
In het Oud-Staten Archief van Drenthe zit een verzoekschrift van Claesken Lang-straet, weduwe van wijlen capitain Onno Lijphart om een jaarlijks subsidium, omdat ze 'zittende is met vier kleine kinderen, wiens vader zijn leven ten dienste van 't landt in Brazilien heeft verloren' (5).
Op 20 februari 1655 vraagt ze een jaarlijks subsidie of appointment voor haar oudste zoontje. Er wordt 25 gulden toegekend (6).
4. Andreas Lijphart, vaandrig onder capiteyn Tiddo Huininga (1652), geboren tus-sen 1614 en 1619, overleden na 21 januari 1659.
Hij trouwt Groningen 28 augustus 1652 met Gesina Groeneveld, overleden ná 21 ja-nuari 1659, waarschijnlijk dochter van Wijnolt Groeneveld, 1e pedel (1616-1627), en van N.N.
5. Diederick Lijphart, landmeter en ingenieur, luitenant in de oorlog ter zee (1659) en luitenant in de compagnie van capiteyn Willem Som (1673), geboren tussen 1614 en 1619, gesneuveld tussen 30 mei 1673 en 2 december 1675.
Waarschijnlijk is hij de Theodorus, die gemagtigde is voor zijn tante Cornelia van Loenresloot bij de transactie van 1639 voor notaris Van Ingen te Amersfoort. Hij trouwt te Groningen vóór 1644 met Catharina Arnout, geboren rond 1605, overleden ná 26 januari 1677, dochter van Simon van Arnout, luitenant in de compagnie van ritmeester Pissett en luitenant in de compagnie te voet. Bij haar huwelijk was zij weduwe van Writser Munts (Meuts?), 'edelman van 't canon wegen dese Provincie en doodgeschoten bij een veldslag voor Leuven'.
Bronnen:
1) OSA 6, 132514 Landdagen, financien en in de Naamindex op de resoluties van Ridd. & Eigenerfden.
2) Gemeentearchief Groningen (GAG) RA mx 14-4-1626, fol. 386.
3) Oud-Staten Archief van Drenthe (OSA) 1720.
4) Schultenprotocol Anlo 1671-1682, blz. 126 en 69 en Lottingprot. dl. 22 (167) en dl. 27 (258).
5) OSA 1779, 1651 bijlagen, accoord 23-2-1652.
6) OSA 6, IV 62/62 Landdagen, fin.
Een misdadiger in de familie door J. de Lange
U vraagt om iets te schrijven over 'bijzondere voorouders'. Wel, in de familie van mijn vrouw, de Van Bemmels die oorspronkelijk uit Utrecht stammen, komen er minstens twee voor die vanwege hun schelmenstreken opvallen.
De eerste was Hendrik van Bemmel, die tijdens de Beeldenstorm in Utrecht in 1566 'wel bij drancke wesende' door de wacht werd aangeroepen en gevraagd naar 'die leus' (het wachtwoord), waarop hij antwoordde 'kacken is die leus' (1).
Maar in deze familie komt nóg een boef voor. We zijn meer dan twee eeuwen verder, en een tak van de familie is via omzwervingen op het Zuid-Hollandse eiland Voorne terecht gekomen.
Het gaat om Hendrik van Bemmel(en), zoon van Gerrit van Bemmel(en) en van Lena Luijmen, geboren te Nieuwenhoorn tussen 20 december 1770 en juni 1771. Hendrik trouwde op 14 december 1794 te Nieuwenhoorn met Cornelia de Knegt. Tussen fe-bruari 1795 en mei 1812 worden hun zeven kinderen geboren, waarvan zijn zoon Gerrit tussen 30 januari en 2 februari 1798. Het gezin woonde vanaf 1802 te Abbenbroek en moet straatarm zijn geweest. Zijn zoon Gerrit (geboren Nieuwenhoorn 30 januari 1798 en overleden op 24 april 1852 aldaar) is medeplichtige.
Op 15 april 1819 doet het Hof van Assisen te Den Haag uitspraak in de zaak tegen 'Hendrik van Bemmelen en zijn zoon Gerrit van Bemmelen, beide in staat van bewa-ring op het gevangenhuis te Brielle'. Op 6 maart 1819 bepaalt de Regtbank in Eersten Aanleg te Brielle dat:
'Hendrik en Gerrit van Bemmelen, vader en zoon, een misdrijf hebben begaan (...)
dat van zoodanige aard is dat hetzelfde behoord te worden gestaft met een afflectieve (lijfstraffelijke) en infamerende (onterende) straf (...) en verleent ordonnance de pris de corps (opdracht tot inhechtenisneming)' en rapporteert de Regter van Instructie aan den Officier bij deze Regtbank dat het gepleegde misdrijf 'eene straf met zich medebrengt boven de competentie dezer regtbank', reden waarom de zaak wordt verwezen naar het Hof te Den Haag. Aldaar worden de beklaagden op 17 maart 1819 'in staat van beschuldiging gesteld ter zake van diefstal bij nacht, door meer dan een persoon gepleegd, en den eerstgenoemden daarenboven wegens herhaling van misdaad', dat zij bij het verhoor op 8 april 1819 bekennen.
Het Hof van Assises in de Provincie Holland Zuider Kwartier, gezien de acte van be-schuldiging van 17 maart 1819, veroordeelt de schuldig verklaarde Hendrik van Bemmelen op 15 april 1819 'om op een schavot aan een paal gebonden gedurende een kwartier te pronk gesteld te worden met een papier op de borst waarbij zijn misdaad zal zijn uitgedrukt, en voorts met een heet ijzer op den schouder te worden gebrandmerkt. Condemneert denzelven wijders tot een confinement in een rasp-, tucht- of werkhuis voor den tijd van vijf jaren om aldaar met zijnen arbeid zijn onderhoud te gewinnen'.
Hendrik appelleert op 19 mei 1819 bij Koning Willem I om gratie, en deze heeft te Welgelegen (2) op 5 juli 1819 'gehoord het rapport van Onzen Minister van Justitie van den Eersten dezer, goedgevonden en verstaan aan den suppliant uit hoofde van zijn physisch gestel te verleenen remissie van den straf van het brandmerk, waartoe hij onder meer bij vonnis van het Hof van Assises van Zuid Holland van den 15 april 1819 is gecondemneert, wordende het verdere door den suppliant gedane verzoek gewezen van den hand.' De fungerend eerste griffier bij het Hoog Gerechtshof verklaart dat de ten pronkstelling van Hendrik van Bemmelen op de Groote Markt te 's-Gravenhage 'gedurende een kwartier uurs ten mijnen overstaan is geëxecuteerd.'
Zijn zoon Gerrit van Bemmelen, oud 21 jaren, komt er genadig van af. Deze is thuis vanwege een zware liesbreuk welke door verzwakking der spieren van den buijk tot in het scrotum doorgaat' (zoals bevonden door den chirurgijn Jac. Lijherr van 12 mei 1819) als ' verlofganger van het 3e Battaljon Artillerie van de Nationale Militie in gar-nisoen te Dordrecht' en wordt gestraft met 'confinement in een tucht of werkhuis voor de duur van zes weken.'
Ze wisten wel van straffen, in die goede oude tijd!
Nu vraagt u zich af: 'Wat hebben vader en zoon wel misdreven?' Beklaagden hebben in de nacht van de zesde op de zevende december 1818 uit een kuil in de tuin van Abraham Beukelman te Abbenbroek een paar wateremmers aardappelen gestolen. Een ernstig misdrijf!
Wat vader Hendrik betreft komt daar echter bij op 28 augustus 1817: 'is gecondem-neerd tot de straf van een jaar in een rasp-, werk- of tuchthuis door inklimming in een gesloten schuur en onderscheide goederen heeft gestolen, welke goederen hij gedeeltelijk heeft verkocht en de rest teruggegeven'. Op 18 maart 1815 werd hij door de Regtbank te Brielle gevonnist met een gevangenisstraf van zes dagen en de kosten ad 2 gulden en 11 stuivers 'omdat hij begin maart met zijn neef Gerrit de Knegt van het land van Jacob Blaak, gelegen in den Bieshoek onder Abbenbroek, een grote emmer aardappelen heeft ontvreemd aangezien zij vanwege hun armoede niet te eten hadden en hij een vrouw met zes kinderen heeft'.
Uit andere stukken blijkt dat Hendrik tijdens het uitzitten van de vijf jaar in het tucht-huis, waarschijnlijk te Rotterdam, is overleden. Daar heb ik echter nog geen bewijs voor gevonden.
1) zie Favoriete voorouders, Gens Nostra, jrg.51, 1996 nr.1 1/12 pag. 525.
2) Welgelegen is het kasteel van Koning Lodewijk te Haarlem, thans Provinciehuis van Noord-Holland.
Museum Nederlandse Cavalerie door G.G.van der Kroon
Ontstaan
In de ruim vierhonderd jaren dat de Cavalerie in Nederland bestaat, is veel aan Cavalerie-eenheden geschonken, maar ook veel verloren gegaan. In 1960 werd een Stichting opgericht die het historisch en cultureel bezit van de Cavalerie ging bewaren. Het verzamelen begon, maar de eerste ruimte op de kazerne werd spoedig te klein. In 1973 werd, na diverse aanpassingen, in het souterrain (fietsenkelder) van het voormalige lesgebouw, de opening van de nieuwe expositie door Z.K.H. Prins Bernhard in zijn hoedanigheid van Inspecteur Generaal verricht. In de loop der jaren werd de verzameling door schenkingen etc. dermate groot, dat de ruimte in het souterrain te klein werd. Door de aangekondigde inkrimping van onderdelen van de Koninklijke Landmacht werd in 1993 door de Wapen Traditieraad Cavalerie een besluit genomen, om de huidige verzameling en bezittingen van de Cavalerie-eenheden die werden opgeheven, te concentreren in de Historische Verzameling Cavalerie. Maar ja, weer ruimtegebrek. Een noodkreet ging naar de Bevelhebber der Landstrijdkrachten en het resultaat was dat het toenmalige gehele lesgebouw aan de HVC werd toegewezen. In 1994 werd begonnen met de planning, de voorbereidingen van de aanpassingen en de inrichting van het gebouw. In de jaren 1996 - 1998 werd het omgetoverd tot het huidige museum, aangepast aan de eisen waaraan thans de musea moeten voldoen, toegankelijk voor mensen met rolstoel en een lift naar de verschillende verdiepingen. Kroonprins Willem-Alexander opende 25 jaar later, na de eerste opening door zijn grootvader in 1973, in april 1998 het huidige museum.
Geschiedenis van de Nederlandse Cavalerie
De geschiedenis van de Nederlandse Cavalerie kan in perioden worden verdeeld:
- de Cavalerie tot de Unie van Utrecht (1573 - 1579)
Het leger bestond uit huurlingen en werd alleen aangehouden voor de duur van een veldtocht of zolang er geld voor soldij was. De veldslagen waaraan cavalerievanen deelnamen waren de slag bij Manpad (Haarlem) in 1573 en de slag op de Mookerheide in 1574.
- de Cavalerie van het Staatse Leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden
(1579 - 1795)
Bij de Unie van Utrecht (1579) werden de diverse Vanen (1) van de zeven provinciën samengevoegd tot het Staatse Leger. In 1635 telde de Cavalerie 80 vanen die toen in tien regimenten werden verenigd. Tot het einde van de Republiek in 1795 heeft de Cavalerie deelgenomen aan o.a. de slag bij Nieuwpoort (1600) en na de 80-jarige oorlog o.a. de slag aan de Boyne (1690) en vele andere.
- de Cavalerie in de Bataafs-Franse tijd (1795 - 1806)
In 1795 werd de Bataafse Republiek uitgeroepen en waren de regimenten zo uitgedund door het vertrek van de Oranjegezinden, dat ze werden samengevoegd tot vier regimenten en op Franse leest geschoeid. De Cavalerie onderscheidde zich in het gevecht bij de Engels-Russische inval in Noord-Holland bij Castricum in 1799.
- de Cavalerie van het leger van het Koninkrijk Holland (1806 - 1810)
Tot zijn vertrek in 1810 heeft koning Lodewijk Napoleon de inlijving van de Nederlandse troepen in het Franse leger en de invoering van de dienstplicht in Nederland tegengehouden. De Cavalerie nam deel aan veldtochten in Pommeren, Pruisen, Polen en Spanje.
- de Nederlandse ruiterij als deel van het Franse leger (1810 - 1814)
In 1810 lijfde keizer Napoleon het Koninkrijk Holland in bij het Franse keizerrijk, werden de troepen opgenomen in het Franse leger en werd de dienstplicht ingevoerd. De Franse veldtochten o.a. naar Moskou (1812) met de desastreuze terugtocht over de Berezina, eisten veel slachtoffers van de voormalige Hollandse regimenten. In de loop van 1814 namen Nederlandse militairen veelal ontslag om zich te melden voor dienst in eigen land. De regimenten werden in 1814 te Parijs opgeheven.
- de Cavalerie van het Koninkrijk der Nederlanden (1814 - heden)
Vrijwel direct na de onafhankelijkheid werd begonnen met het oprichten van cavalerieregimenten. De Prins van Oranje, de latere koning Willem I, kon niet zo snel een beroepsleger formeren en greep terug naar de dienstplicht (Kader-Militieleger). Zo werd op 4 april 1815 te Brussel het Regiment Karibiniers Landmilitie opgericht (het huidige Regiment Huzaren Prins van Oranje). De nieuwe regimenten werden in 1815 ingezet bij Quatre-Bras en Waterloo, alsmede bij de Tiendaagse Veldtocht in 1831 in België. Nadat de afscheiding van België in 1839 was geformaliseerd, met de splitsing in Noord-Nederlandse en Zuid-Nederlandse regimenten, brak in Nederland een periode van weinig oorlogsgeweld aan. De voorgaande periode had veel geld gekost en er ontstonden financiële problemen bij de Cavalerie en de Rijdende Artillerie (die nauw verbonden was met de Cavalerie). Koning Willem I weigerde in eerste instantie het vredescontract met België te tekenen, maar gaf uiteindelijk zijn verzet op en trad af ten gunste van zijn zoon Willem II, die een nagenoeg failliet koninkrijk erfde. Amersfoort hoopte een deel van de terugkerende troepen uit Noord-Brabant binnen haar muren te krijgen, hetwelk lukte en zodoende een bijdrage zou leveren aan de bestrijding van armoede en werkloosheid in Amersfoort (12.000 inwoners). De vele Belgische vluchtelingen, alsmede de komst van 1300 soldaten en familieleden betekenden werk voor velen. Het Korps Rijdende Artillerie (de Gele Rijders - gezien de kleur van hun uniform) opgericht in 1793 om de Cavalerie bij snelle acties vuursteun te kunnen blijven geven, was van 1840 - 1852 en van 1868 - 1881 gelegerd in Amersfoort o.a. op de Beestenmarkt. Het grote exercitieterrein De Vlasakkers werd door het Departement van Oorlog voor 60,- per jaar van de ge-meente Amersfoort gehuurd en later in 1876 werd het terrein (100 ha) voor 2000,- onderhands gekocht. Van 1839 tot 1867 volgden vele reorganisaties en naamsveranderingen. De Cavalerie bestond toen uit het 1e tot en met 4e Regiment Huzaren (RH). Deze vier regimenten zijn in directe lijn de voorgangers van de huidige Cavalerieregimenten; 1 RH - Regiment Huzaren van Sytzama, 2 RH - Regiment Huzaren Prins van Oranje, 3 RH - Regiment Huzaren Prins Alexander, 4 RH - Regiment Huzaren van Boreel. In 1877 werd het Militaire Hospitaal aan de Hogeweg aanbesteed en was tot 1966 in gebruik. In 1883 werden de Lange Stallen aan de Beestenmarkt door een houten brug verbonden met de nieuwe kazerne, die in 1934 werd vernoemd naar Koning-Stadhouder Prins Willem III. Het gebouw aan de Breestraat werd in 1899 verkocht aan Flehite (thans deel van het museum). In 1881 verlieten de Gele Rijders Amersfoort en vertrokken naar Arnhem.
De lange periode van vrede, die gepaard ging met bezuinigingen en alleen door de mobilisaties van 1870 (Frans-Duitse oorlog) en de eerste wereldoorlog werd verstoord, had ook gevolgen voor de Cavalerie. In 1922 werden de vier huzarenregimenten gehalveerd tot halve regimenten. In de jaren daarna volgden vele reorganisaties, herindelingen en in 1939 werden de vier oude Regimenten Huzaren weer in ere hersteld. Toen brak de tweede wereldoorlog uit en in juni 1940 werden de Regimenten Huzaren enz ontbonden.
De Duitsers veranderden de naam van de Bernhardkazerne in de Waterlookazerne. In de vijftiger jaren werden de Regimenten Huzaren weer heropgericht en opgenomen in het Depot Cavalerie op de Bernhardkazerne en kregen een opleidingstaak. Sinds 1963 zijn de Cavalerieregimenten geen opleidingseenheden meer, maar zijn alleen als traditioneel verband blijven bestaan. De parate verkennings- en tankeenheden hebben de operationele taken van vóór 1940 overgenomen. Hoewel er geen sprake is van een 'familiestamboom' wordt toch gesproken over de genealogie van de regimenten die teruggaat tot 1573. Deze eenheden hebben, in de geschiedenis zo gegroeid, een traditionele binding met de huidige vier Regimenten Huzaren behouden. En zoals vroeger 'geschaard rond de standaard (2) in trouw aan Z.M. de Koning en nu aan H.M. de Koningin'.
1) Een Vaan is een kleine eenheid van 60 tot 300 man die - afhankelijk van bewapening, uitrusting en opleiding - kurassiers, karabiniers, lanciers of ruiters werden genoemd en bestond uit Hollandse, Engelse, Duitse, Vlaamse, Waalse en zelfs Italiaanse huurlingen.
2) Standaard zo genoemd bij de bereden wapens (Cavalerie en Artillerie) en Vaandel genoemd bij Infanterie en andere eenheden.
Bron: Excerpt uit het Mededelingenblad Vereniging Officieren Cavalerie
Filmproject van de Stichting Stichtse Geschiedenis
Een succesvolle eerste inventarisatieronde langs allerlei instellingen is het resultaat van die ronde neergelegd in een dik boekwerk met een overzicht van welke instanties Films in bezit hebben. Wij willen nu een stapje verder gaan en inventariseren wat er op die films staat. Die informatie wordt via een database beschikbaar gemaakt. Hebt u een eigen collectie of weet u iemand die interessant filmmateriaal bezit, neem dan even contact met ons op.
Fred Vogelzang, consulent regionale geschiedenis, telefoon: 030- 2343880